Corona maatregelen zakelijk update

 

Update met betrekking tot Corona Maatregelen zakelijk

 

1. Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) uitgebreid
Bijgewerkt op 27 mei 2020, 09.55 uur

Borgstellingskrediet
Als een ondernemer te weinig onderpand heeft om geld te lenen kan via de financier gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). De BMKB vergroot het onderpand en daarmee ook de financierbaarheid van de onderneming.
Met het borgstellingskrediet staat het ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor een deel garant voor bedrijven die een lening willen afsluiten.
Coronamodule
Het kabinet heeft een tijdelijke faciliteit, voor de duur van één jaar, onder de BMKB opengesteld voor MKB-bedrijven die getroffen zijn door de uitbraak van het coronavirus.
Deze verruiming, die voor de brede doelgroep MKB-bedrijven kan worden ingezet, betekent dat de Staat een hoger garantieaandeel aanbiedt in de BMKB. In de huidige regeling betreft het borgstellingskrediet in de meeste gevallen 50% van het krediet dat de financier (vaak een bank) verstrekt. De borg van de overheid bedraagt 90% van dit borgstellingskrediet.
Voor deze maatregel is de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Deze maatregel kan benut worden door MKB-bedrijven en is bestemd voor overbruggingskrediet of verhoging rekeningcourantkrediet bij een financier, met een maximale looptijd van twee jaar. De financier is verplicht om, naast een kredietovereenkomst die onder de borgstelling wordt gebracht, tegelijkertijd met de MKB-ondernemer een kredietovereenkomst te sluiten, waar geen bedrijfsborgstelling voor geldt.
De hoofdregel is dat deze kredietovereenkomst minimaal 100% bedraagt van het krediet dat onder de borgstelling wordt gebracht. De verhouding is derhalve 1:1. Voor bepaalde categorieën MKB-ondernemers geldt een ander percentage. Voor starters is dit bijvoorbeeld 33,3 procent. Dit geldt ook voor MKB-ondernemers die geraakt zijn door de PFAS- en stikstofproblematiek.
Ook voor de MKB-ondernemingen die een liquiditeitsbehoefte hebben door de uitbraak van het coronavirus en een kortlopend krediet afsluiten voor de duur van maximaal vier jaar, is dit percentage vastgesteld op 33,3%. De verhouding wordt daarmee 1:3. Dit geldt voor leningen die voor de duur van de verruiming op grond van deze regeling worden verstrekt. Deze verruiming is voorzien voor de duur van één jaar. De verplichting aan de banken om een persoonlijke borgstelling te vragen voor het krediet is verlaagd van 25% naar 10%. Daarnaast wordt niet de eis gesteld dat er een tekort is aan zekerheden. Onder het reguliere regime is de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet maximaal zes jaar. Voor het nieuwe bedrijfsborgstellingskrediet wegens de coronacrisis is de duur maximaal vier jaar.
De eenmalige provisie is verlaagd van 3,9% naar 2% voor een kredieten met een looptijd van maximaal twee jaar en van 4,25% naar 3% voor kredieten met een looptijd tussen twee en vier jaar.

Financiers hebben ook meer vrijheid in het maken van een afspraken over het aflossingsregime. De aflossingen van kredieten met een looptijd tussen twee en vier jaar moeten uiterlijk op de eerste dag van het negende kalenderkwartaal na de start van het bedrijfsborgstellingskrediet beginnen.
Accreditatie non-bancaire financiers
Ook non-bancaire financiers kunnen zich accrediteren om hun bestaande klanten te financieren onder de coronamodule van de BMKB. Voor de coronamodule is een verkort schriftelijk accreditatieproces ingericht. Als non-bancaire financiers een keurmerk van Stichting MKB-Financiering hebben, kan dat de accreditatie vereenvoudigen.
Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Stcrt. 2020, 17289; brief minister van EZK tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; Stcrt. 2020, 24157; Stcrt. 2020, 28480; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

2. Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) verruimd en uitgebreid met GO-C
Bijgewerkt op 27 mei 2020, 10.00 uur
Staatsgarantie
De subsidiemodules Garantie ondernemingsfinanciering en Garantstelling gericht op bankgaranties (hierna samen aangeduid als de GO) beoogt de toegang tot bankkrediet voor het Nederlandse bedrijfsleven te verbeteren. Op grond van de GO kunnen banken een garantstelling van de Nederlandse staat verkrijgen voor kredieten die zij verstrekken aan ondernemers.
De GO geldt zowel voor MKB-bedrijven als niet MKB-bedrijven. Ook bevat de GO een faciliteit voor bankgaranties die ervoor zorgt dat de Nederlandse Staat garant kan staan voor door banken af te geven garanties voor de nakoming van contractuele verplichtingen van de desbetreffende onderneming. Voor de garantstelling wordt een kostendekkende premie geheven.
Verruiming GO
Vanwege de effecten van de coronacrisis is de GO verruimd. Door de coronacrisis worden ondernemingen uit diverse sectoren getroffen, doordat bijvoorbeeld goederen niet uitgeleverd kunnen worden of productielijnen stilvallen door een gebrek aan onderdelen. Hierdoor kunnen liquiditeitsproblemen ontstaan, bij in principe economisch gezonde ondernemingen. Mogelijk zal een financier zelfstandig aan de tijdelijke extra financieringsvraag van zo’n onderneming kunnen en willen voldoen.
De hoogte van de lening waarvoor garant wordt gestaan, is verhoogd van € 50 miljoen naar € 150 miljoen. Dit bedrag geldt inclusief een eventuele lening onder de hierna vermelde GO-C. Het garantiepercentage is 50%.
De verruiming van de GO geldt vanaf 28 maart 2020.
Het kabinet heeft de GO verlengd tot 1 april 2021.
Coronamodule (GO-C)
Aan de GO is een tijdelijke coronamodule voor garantie op bankleningen toegevoegd: de Garantie ondernemingsfinanciering uitbraak coronavirus (GO-C). Met de GO-C staat de overheid voor een deel garant voor leningen verstrekt door banken aan bedrijven.
Bedrijven die worden geraakt door coronacrisis en daardoor in liquiditeitsproblemen komen, kunnen tijdelijk gebruik maken van de financieringsmogelijkheden die deze garantiestelling geeft. Anders dan op grond van de bestaande GO-modules kunnen ook garantstellingen worden verstrekt voor leningen aan bedrijven in de landbouw, visserij en aquacultuur.

De belangrijkste kenmerken van de GO-C zijn:
• Leningen en garanties verstrekt met toepassing van de GO-C hebben een looptijd van maximaal zes jaar en bedragen minimaal € 1,5 miljoen.
• Leningen zijn bestemd om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte voor werkkapitaal of investeringskosten van de ondernemer, die is ontstaan door de uitbraak van het coronavirus.
• Alleen niet achtergestelde kunnen onder de garantstelling worden gebracht.
• De marktconforme rente moet een variabel deel kennen, gekoppeld aan de Euribor.
• De maximale hoogte van de lening wordt bepaald op basis van loonsom (2x), omzet (25%) of liquiditeitsplanning, naast dat het maximum van € 150 miljoen geldt.
• De garantie is verhoogd van 50% naar maximaal 90% van de lening als deze is verstrekt aan een MKB-onderneming en 80% als deze is verstrekt aan een grote onderneming.
• Alleen leningen aan ondernemingen die op 31 december 2019 niet al in moeilijkheden waren, komen in aanmerking.
• Er moet per kwartaal worden afgelost, waarbij de eerste aflossing uiterlijk na 18 maanden (MKB-onderneming) of 12 maanden (grote onderneming) na verstrekking moet plaatsvinden.
• Het moet in beginsel gaan om nieuwe leningen, maar de GO-C is ook toepasbaar op kredieten die vanaf 24 maart 2020 tot 30 april 2020 zijn verstrekt.
• De afsluitprovisie bedraagt maximaal 1% van de lening. De bank draagt een deel van de rentemarge als garantieprovisie af aan de staat. De onderneming betaalt geen garantieprovisie bovenop de rente die wordt betaald aan de bank.
De GO-C vervalt op 1 januari 2021, maar blijft van toepassing op voor die datum verstrekte subsidies. Aanvragen kunnen tot en met 15 december 2020 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden ingediend, of als dat eerder is, totdat het subsidieplafond is bereikt.

3.Subsidieplafond
Het subsidieplafond is verhoogd naar € 10 miljard waardoor kan worden tegemoetgekomen worden aan de toenemende vraag van (potentiële) gebruikers van de GO en de GO-C.
Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Stcrt. 2019, 18697; brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; brief staatssecretaris van EZK verlenging van de GO-regeling 20-4-2020, nr. DGBI-O/20098044; Stcrt. 2020, 23929; Stcrt. 2020, 28776; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

4. Qredits verlaagt rente naar 2% en verleend uitstel van aflossing
Bijgewerkt op 26 maart 2020, 21.50 uur
Qredits is de op Nederlandse markt uniek als verstrekker van microkredieten en heeft als stichting een ideëel doel en een aanpak die wezenlijk anders is dan reguliere banken, zoals bijzondere persoonlijke aandacht voor de ondernemers en de ontwikkeling van het business plan. Dit type ondernemingen kenmerkt zich veelal door een gebrek aan financiële reserves.
Het kabinet ondersteunt Qredits financieel met een aanvullend bedrag van maximaal € 6 miljoen. Daardoor berekent Qredits gedurende maximaal zes maanden een lagere rente van 2% en verleent Qredits uitstel van aflossingsverplichtingen.
Bron: brief kabinet noodpakket banen en economie 17-3-2020, nr. CE-AEP/20077147; Qredits

5. Herverzekering leverancierskrediet
Bijgewerkt op 2 juni 2020, 12.30 uur
Veel MKB-bedrijven – zoals winkels en horecazaken – worden bevoorraad op basis van leverancierskrediet. Bedrijven hebben dan 30 of 60 dagen om hun producten aan de leverancier te betalen. Een leverancier sluit een verzekering bij een kredietverzekeraar af tegen het risico dat zijn factuur onverhoopt niet betaald wordt.
Door de coronacrisis worden verzekeraars geconfronteerd met toenemende betalingsrisico’s. Dat zou tot gevolg hebben dat verzekeraars toegekende verzekeringslimieten op bedrijven moeten verlagen of intrekken. Dit zou 75.000 bedrijven kunnen treffen.
Herverzekering
Om dat te voorkomen, heeft de overheid ingegrepen en de portefeuille van de verzekeraars herverzekerd, tot een bedrag van in tot € 12 miljard. Hiermee blijft er vertrouwen in de verschaffing van leverancierskrediet en worden bedrijven bevoorraad.
Europese Commissie
De problemen met de verzekering van leverancierskredieten spelen in alle Europese lidstaten. Vrijwel alle lidstaten hebben met de Europese Commissie overlegd over een vorm van herverzekering. Duitsland was de eerste lidstaat die met een voorstel voor herverzekering naar de Europese Commissie ging. De Nederlandse oplossing moet in grote lijnen gelijk zijn aan de Duitse regeling.
Dekking 90%/eigen risico 10%
Dat houdt in dat de herverzekering niet verder mag gaan dan een dekking van 90% en een eigen risico van 10%. De verzekeraars dragen deze 10% risico over de eerste € 1 miljard aan schade, zodat de verzekeraars maximaal € 100 miljoen zullen bijdragen aan de schade-uitkeringen die door de herverzekering zijn gedekt. Deze € 100 miljoen wordt, net als het garantiebedrag van € 12 miljard euro, verdeeld over de verzekeraars naar rato van de uitstaande limieten per 31 december 2019.
Ook heeft de Europese Commissie bepaald dat schades die voor 1 maart 2020 reeds waren uitgekeerd niet voor vergoeding door de staat in aanmerking komen. Hiermee wordt uitgesloten dat schades die zich al voor die datum hadden gematerialiseerd en die naar alle waarschijnlijkheid niets met de coronacrisis te maken hadden worden gedekt door de herverzekering.
Afgesproken is dat in beginsel niets veranderd wordt aan de lopende verzekeringsovereenkomsten. Voor nieuwe polissen – dus met bedrijven die tot op heden hun leverancierskredieten nog niet verzekerden, bedrijven die overstappen van de ene verzekeraar naar de andere of bedrijven die van een buitenlands kantoor overstappen naar het Nederlandse kantoor – geldt dat 90% van de premie wordt afgedragen aan de staat en dat 90% van de schades en incasso’s voor de staat zijn. De verzekeringsvoorwaarden dienen hierbij grotendeels gelijk te zijn aan die van bestaande polissen. De premies zullen voor deze nieuwe polissen – anders dan voor de lopende polissen – het verslechterde marktrisico reflecteren. Zo wordt voorkomen dat de herverzekering door de staat een aanzuigende werking heeft voor met name slechte risico’s.
Bij verlenging van een polis mogen alleen aanpassingen worden doorgevoerd die onder normale omstandigheden ook worden toegepast.
Een verzekeraar die 10% eigen risico loopt op zijn portefeuille, moet enige mogelijkheden hebben om zijn risico te beïnvloeden, dat wil zeggen te beperken of af te bouwen waar nodig. Het kabinet heeft over het vaststellen en eventueel aanpassen of verlagen van de limieten gedetailleerde afspraken gemaakt. Uitgangspunt is dat de limieten die op 1 januari 2020 van kracht waren in stand blijven of waar nodig hersteld worden. Zogeheten mass actions zijn strikt verboden.
Toch zijn er omstandigheden – ook in het (financiële) belang van de staat en ook zonder dat de verzekeraar een eigen risico draagt – waaronder limieten aanpassing behoeven. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om leveringen te blijven verstrekken aan een bedrijf dat failliet is. Het kan echter ook dat de verzekerde zelf vraagt om verlaging van een limiet, omdat hij die niet langer nodig heeft. Een andere reden is het publiceren van de jaarcijfers 2019 – die dus niet zijn beïnvloed door de coronacrisis – waaruit blijkt dat de financiële situatie van een bedrijf niet langer de afgegeven limiet rechtvaardigt. Mocht een verzekeraar een limiet verlagen dan wordt dit aangekondigd en krijgt een debiteur in principe nog dertig dagen de tijd om aan te tonen dat hij nog tot betaling in staat is, bijvoorbeeld door betalingsachterstanden (deels) in te lopen.

Kredietverzekeraars
Alle in Nederland actieve kredietverzekeraars die onder toezicht staan, komen in aanmerking voor een overeenkomst. De gehele portefeuille van de verzekeraars wordt herverzekerd, zowel de goede als de slechte risico’s. Verzekeraars kunnen zich tot en met 30 juni 2020 melden.
De herverzekering wordt met alle deelnemende verzekeraars tegen exact gelijke voorwaarden afgesloten. De verzekeraars moeten alle premies over 2020 afdragen aan het ministerie van Financiën over de bestaande polissen. Over nieuwe polissen moeten de verzekeraars 90% van de premies afdragen, aangezien de staat voor die polissen 90% van het risico draagt. In ruil ontvangen de verzekeraars een vergoeding voor de operationele kosten. De gedeclareerde bedragen zullen door een accountant worden gecontroleerd.
Doordat (nagenoeg) alle premies worden afgedragen en alleen de operationele kosten worden vergoed zal het eigen risico van 10% tot een (operationeel) verlies leiden voor de verzekeraars. Voor schadebedragen boven het aan een verzekeraar toegekende deel van de € 100 miljoen aan eigen risico zal de staat 100% van de schade vergoeden.
Verbod op bonussen en dividend
Het kabinet heeft in de overeenkomsten met de verzekeraars eisen opgelegd rond het uitkeren van bonussen en dividenden. Verzekeraars mogen niet over de periode van de herverzekering bonussen toekennen aan of het vaste salaris verhogen van de dagelijks beleidsbepalers voor de Nederlandse activiteiten. Evenmin is het toegestaan om over deze periode dividenden uit te keren die kunnen worden toegeschreven aan de Nederlandse activiteiten. De accountant moet hierover rapporteren.
Garantie
De garantie die hiervoor nodig is, bedraagt naar verwachting circa € 12 miljard. De te verwachten schade voor de staat bedraagt op basis van een eerste grove raming ongeveer € 890 miljoen. Bij deze schatting is ingecalculeerd dat de premies naar de staat gaan.
Looptijd, verlenging, beëindiging
De herverzekering loopt tot en met 31 december 2020. Uiterlijk 30 september 2020 zal na consultatie van de verzekeraars een besluit worden genomen tot eventuele verlenging. De Europese Commissie moet verlenging goedkeuren.
Verzekeraars zullen bij beëindiging van de herverzekering een periode van drie maanden krijgen – de zogeheten winding down period – waarin ze zich kunnen voorbereiden op het opnieuw volledig dragen van de risico’s en de verzekerden kunnen voorbereiden op eventuele gevolgen daarvan. In deze periode zullen verzekeraars dus meer ruimte krijgen om naar eigen inzichten de limieten vast te stellen.
Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst beantwoording vragen van de vaste commissie voor Financiën over de incidentele suppletoire begroting inzake de COVID-19 crisismaatregel herverzekering leverancierskredieten 10-4-2020, ongenummerd; brief staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst herverzekering leverancierskredieten 29-5-2020, nr. 2020-0000094826

6. Overbruggingskrediet startups, scale-ups en non-bancair gefinancierd MKB
Bijgewerkt op 3 juni 2020, 09.30 uur
Een brede groep bedrijven wordt met eigen vermogen of risicodragend vermogen gefinancierd. Dat zijn onder andere startups en scale-ups, waarbij de verwachting is dat naast de behoefte aan overbruggingskrediet ook eigen vermogen een rol zal spelen.
Daarnaast er is ook veel non-bancair gefinancierd MKB dat zich gefinancierd heeft door bijvoorbeeld ingehouden winst. Deze bedrijven hebben doorgaans wel een gezonde balans, maar hebben geen bankrelatie en kunnen door de coronacrisis moeilijk overbruggingskrediet van een bank krijgen.
Corona-Overbruggingslening (COL)
De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) verstrekken op verzoek van het kabinet speciale overbruggingskredieten. Vanaf 29 april 2020 kunnen groeibedrijven een aanvraag indienen voor een zogenoemde Corona-Overbruggingslening (COL). Het kabinet heeft hiervoor in een eerste tranche € 100 miljoen ter beschikking gesteld. Op 20 en 28 mei 2020 is een tweede tranche aangekondigd van nog eens € 200 miljoen.
De leningen die de ROM’s gaan verstrekken variëren tussen de € 50.000 en € 2 miljoen. Bij bedragen boven € 250.000 wordt er 25% cofinanciering verwacht van de aandeelhouders of andere investeerders. Er geldt een uniform rentetarief van 3%.
Seed capital technostarters
Ook de subsidiemodule Seed capital technostarters is met terugwerkende kracht per 13 mei 2020 aangepast, zodat ook startersfondsen en Seed business angel fondsen meer mogelijkheden hebben om te participeren in technostarters die een concrete liquiditeitsbehoefte hebben door de coronacrisis.
TOPSS
Via de vereiste cofinanciering bij overbruggingskredieten groter dan € 2 miljoen vanuit onder andere de bestaande ROM-fondsen (waarvan de verschillende provincies ofwel meerderheidsaandeelhouder dan wel enig aandeelhouder zijn) is al sprake van provinciale cofinanciering.
Ook kan gebruik worden gemaakt van het Tijdelijk Overbruggingskrediet innovatieve Start en Scale ups (TOPSS) van Invest-NL. Deze financiering heeft de vorm van een converteerbare lening en is bestemd voor innovatieve startups en scaleups met een gezond perspectief die door de coronacrisis geremd worden in het versnellen van hun groei en/of het vinden van financiering voor hun plannen. Invest-NL financiert in beginsel maximaal 50% van de financieringsronde.

Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; nieuwsbericht 7-4-2020 Interprovinciaal Overleg (IPO); nieuwsbericht ministerie van EZK 25-4-2020; nieuwsbericht Invest-NL 28-4-2020; brief kabinet noodpakket 2.0 20-5-2020, nr. CE-AEP/20148518; brief kabinet noodpakket 2.0 28-5-2020, nr. 2020-0000074009; wijziging Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met COVID-19-gerelateerde aanpassingen van de Seed capital subsidiemodule (titel 3.10 RNES), Stcrt. 2020, 28907

7. Garantie Klein Krediet Corona (KKC)
Bijgewerkt op 29 mei 2020, 15.30 uur
Het kabinet heeft een breed pakket aan regelingen opgesteld om ondernemers te ondersteunen tijdens de coronacrisis (zie de hierboven opgenomen onderdelen in dit deel van het Dossier Corona). Toch hebben kabinet en de banken de toegang tot liquiditeit voor het kleinere MKB verder vergemakkelijkt, met een aanvullend instrument: de Garantie Klein Krediet Corona (KKC).
Garantie Klein Krediet Corona (KKC)
Kleine ondernemer
De KKC is specifiek bedoeld voor in Nederland gevestigde MKB-ondernemers die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en die zijn ingeschreven in het handelsregister sinds 1 januari 2019.
Uitgesloten van de KKC zijn ondernemingen waarvan de activiteiten betrekking hebben op onroerend goed of de financiële sector. Ook zorgaanbieders, ondernemingen die actief zijn in de sector visserij en aquacultuur, de primaire productie van landbouwproducten en de sector verwerking en afzet van landbouwproducten, zijn uitgesloten.
Ondernemingen die op 31 december 2019 al in financiële moeilijkheden verkeren kunnen geen gebruik maken van de KKC.
Lening met staatsgarantie
De lening dient ter financiering van door de ondernemer geleden of te verwachten verlies aan inkomsten dat door de coronacrisis is ontstaan of naar verwachting ontstaat tussen 19 maart 2020 en 31 december 2020. De KKC staat open voor kredietaanvragen van minimaal € 10.000 tot en met € 50.000.
De leningovereenkomst die door een financier met een ondernemer wordt gesloten kan zowel de vorm krijgen van een geldlening als de vorm van krediet in rekening-courant. Het mag hierbij niet gaan om een achtergestelde of een converteerbare lening.
De overheid staat voor 95% garant voor de lening. Door dit hoge garantiepercentage kan een groot aantal ondernemers geholpen worden en kan het kredietbeoordelingsproces grotendeels geautomatiseerd plaatsvinden.
Kredietbeoordeling
Wel blijft een goede toetsing van kredietaanvragen van belang. Dit is traditioneel de expertise van financiers in de markt (bancair en non-bancair). Het gegeven dat financiers een bescheiden risico lopen zorgt ervoor dat zij een financiële prikkel hebben om een goede risicobeoordeling te doen. De risico’s voor de rijksbegroting worden daardoor zo goed mogelijk beperkt. Ook wordt bij de risicobeoordeling zoveel mogelijk gewaarborgd dat alleen kredieten verstrekt worden aan in de kern gezonde bedrijven met terugbetaalcapaciteit.
Het is ook in deze bijzondere situatie van belang dat banken ondernemers met gepaste zorgvuldigheid behandelen. De banken hebben onder meer aangegeven zich te houden aan de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering.
Bij de kredietbeoordeling geldt de aanname dat de omstandigheden per 1 januari 2021 weer genormaliseerd zijn. De onderneming moet in 2019 winstgevend zijn geweest of gemiddeld genomen geweest over minimaal de laatste twee boekjaren.
In totaal mag de onderneming niet meer dan € 250.000 aan leningen hebben uitstaan.
De onderneming mag niet gelijktijdig met de KKC-lening ander krediet afsluiten en zal dat op korte termijn ook niet doen. Ook mag geen sprake zijn van ander krediet waarvoor de staat borg of garant staat.
Banken en andere geaccrediteerde financiers
De banken gaan de leningen met KKC-garantie aanbieden. Andere financiers die geaccrediteerd zijn voor de BMKB-C (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona), mogen de regeling ook aanbieden. Overige financiers kunnen zich daarvoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) laten accrediteren.
Looptijd, rente en eenmalige premie, aflossing, borgstelling
De maximale looptijd van de lening is vijf jaar. Het is mogelijk de looptijd op te schorten met een periode van maximaal acht kwartalen, onder gelijktijdige verlenging van de looptijd.

De rente die de financiers jaarlijks aan de ondernemers mogen doorrekenen is maximaal 4% van het uitstaande kredietbedrag. Daarnaast betalen ondernemers aan de staat een eenmalige premie van 2% als vergoeding.
De lening moet, na een eventuele aflossingsvrije periode van maximaal twaalf maanden na verstrekking, op annuïtaire of lineaire basis te worden afgelost. Tussentijds (extra) aflossen is onder voorwaarden toegestaan.
Als de ondernemer een rechtspersoon is of een personenvennootschap met een rechtspersoon als vennoot, geldt een persoonlijke borgstelling van 10% van de hoofdsom van de lening.
Rijksbegroting
Het kabinet verwacht dat met deze KKC-faciliteit in totaal € 750 miljoen aan krediet kan worden verstrekt. Het heeft daarom € 713 miljoen als garantiebudget ter beschikking gesteld.
Staatssteun
De Europese Commissie heeft de regeling goedgekeurd. In totaal mag een onderneming maximaal € 800.00 aan aan de coronacrisis gerelateerde staatsteun ontvangen.
Inwerkingtreding en looptijd
De regeling is op 30 mei 2020 inwerking getreden en vervalt op 1 januari 2021. De aanvraag moet uiterlijk 15 december 2020 zijn ingediend.
In ieder geval hebben Rabobank, ABN AMRO, ING, de Volksbank en Triodos toegezegd leningen met KKC-garantie aan te bieden.
Bron: brief minister van EZK Klein Krediet Corona (KKC) garantieregeling 7-5-2020, nr. DGBI/20135074; nieuwsbericht Nederlandse Vereniging van Banken 7-5-2020; Regeling invoering en openstelling van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona, Stcrt. 2020, 29548

8. Verruiming exportkredietverzekering
Bijgewerkt op 8 april 2020, 11.45 uur
Door de coronacrisis wordt ook de internationale handel flink geraakt. Om de internationale handel zoveel mogelijk op gang te houden verruimt de Nederlandse Staat vanaf 25 maart 2020 de mogelijkheden voor exportkredietverzekeringen. De maatregelen helpen voorkomen dat bedrijven grotere betalingsrisico’s ondervinden, in extra liquiditeitsproblemen komen of internationale projecten noodgedwongen moeten stilleggen.
Exportkredietverlening
De nieuwe maatregelen voor verruiming van exportkredieten komen er kortgezegd op neer dat ook kortlopende exportkredietverzekeringen worden gedekt (eerder alleen langer dan twee jaar, nu ook korter dan twee jaar).
Daarnaast zijn de mogelijkheden voor binnenlandse dekking verruimd, is het landenbeleid flexibeler en is voor meer landen dekking te verkrijgen.
Ook zijn procedures verruimd, doorlooptijden versneld en wordt een hoger percentage werkkapitaal gedekt.
Door het maatregelenpakket kunnen door bedrijven meer risico’s worden afgedekt dankzij de staatsgaranties. Zo blijft de internationale handel beter op gang en kan verlies van export en banen worden voorkomen. Dit in aanvulling op het noodpakket banen en economie dat het kabinet heeft gepresenteerd.
Actieplan internationale samenwerking
Naast verruiming van de exportkredietverlening hebben overheid en bedrijfsleven afgesproken om in Europees verband te werken aan onder meer het tegengaan van protectionisme (zoals bij de handel in medische goederen), een soepeler grensoverschrijdend vervoer van essentiële goederen binnen de Europese Unie (EU), soepel verkeer van arbeidsmigranten, het maximaal benutten van de financiële middelen die er beschikbaar komen (onder andere vanuit de EU, de EBRD, de Wereldbank en het IMF) en het zoveel mogelijk open houden van internationale vervoersstromen.
Alle maatregelen moeten ook een plek krijgen in een nieuw actieplan dat nog wordt uitgewerkt en waarbij ook vooruit gekeken wordt naar de fase na de acute corona-crisis.
Bron: nieuwsbericht ministerie van Buitenlandse Zaken 26-303-2020; brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; nieuwsbericht Atradius Dutch State Business

9. Banken geven uitstel voor zakelijke financieringen
Bijgewerkt op 1 mei 2020, 14.50 uur
Banken bieden ondernemingen in alle sectoren die in de kern gezond zijn, zes maanden uitstel van aflossing op hun lopende leningen. Het gaat om zakelijke financieringen tot € 50 miljoen. Het gaat hierbij om een minimumregeling waarop banken aanvullend maatwerk kunnen leveren voor zakelijke klanten.
Hiertoe hebben enkele grote banken zoals ABN AMRO, ING, Rabobank en Triodos Bank besloten.
Overigens hebben enkele grote banken aangekondigd voorlopig geen dividend uit te keren aan hun aandeelhouders. Dat geldt ook als banken geen aandeelhouders hebben, maar gefinancierd zijn met certificaten. Rente op certificaten wordt voorlopig niet uitbetaald.
Bron: persbericht Nederlandse Vereniging van Banken; nieuwsbericht 30 maart 2020 op Banken.nl

10. Uitstel van betaling Vroege Fase Financiering (VFF) en Innovatiekrediet (IK)
Bijgewerkt op 8 april 2020, 11.35 uur
De overheid verstrekt via de Vroege Fase Financiering (VFF) en het Innovatiekrediet (IK) leningen aan innovatieve en startende ondernemers. Door de coronacrisis zijn de voorwaarden van de betalingsverplichtingen versoepeld.
Vroege Fase Financiering (VFF)
Een ondernemer die gebruikt maakt van de VFF kan voor zes maanden uitstel aanvragen van aflossing van de lening en opschorting van aanhangende rente.
Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en schuift door naar 1 oktober 2020. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) stuurt de ondernemer een brief met uitleg over de wijze van aanvragen van het uitstel.
Innovatiekrediet (IK)
Een ondernemer die gebruikt maakt van het IK, krijgt zes maanden uitstel van rentebetalingen en aflossingen. Dit uitstel gaat in per 1 april 2020 en duurt tot en met 30 september 2020. De rente die geldt voor het IK wordt tijdens deze zes maanden opgeteld bij het uitstaande saldo. Het aflossingsschema dat per 1 april 2020 geldt, schuift door naar 1 oktober 2020.
Een ondernemer hoeft dan niet op 1 oktober 2020 in één keer de uitgestelde rente- en aflossingstermijnen te betalen. Deze termijnen betaalt hij later door de verlenging van het aflossingsschema.
Een ondernemer is niet verplicht hiervan gebruik te maken.
Staan er voor een ondernemer in de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2020 rente- en aflossingsbetalingen gepland, dan stuurt de RVO een brief met uitleg.
Bron: brief minister van EZK Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren en aanvullende maatregelen op het gebied van financiering voor bedrijven 7-4-2020, nr. DGBI/20094755; Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
11. Pensioenuitvoerders bieden coulance bij betaling pensioenpremies
Bijgewerkt op 30 maart 2020, 10:30 uur
Werkgevers die door de coronacrisis zijn getroffen kunnen zich melden voor een mogelijke betalingsregeling bij pensioenuitvoerders. Ook is het maken van afspraken over een soepeler betalingstermijn bespreekbaar, binnen de wettelijke mogelijkheden. Daarnaast kan het invorderingsbeleid bij het innen van de premies worden versoepeld, bijvoorbeeld door geen incassobureaus in te schakelen of administratieve boetes op te leggen.
Dat hebben de Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars afgesproken. Aangegeven wordt dat de problemen per werkgever en sector verschillen. Er wordt daarom maatwerk geboden, maar de ruimte voor dat maatwerk is op dit moment nog beperkt, door wettelijke voorschriften.
Bron: gezamenlijk persbericht Stichting van de Arbeid, Pensioenfederatie en Verbond van Verzekeraars 21-3-2020
Wet langdurige zorg (Wlz)
Alle aanbieders van langdurige zorg (waaronder ouderenzorg, zorg voor mensen met een beperking en zorg voor mensen met een psychische stoornis) hebben in toenemende mate te maken met financiële onzekerheden door de coronacrisis. Enerzijds doordat veel zorgaanbieders met hogere en andere kosten worden geconfronteerd, anderzijds is sprake van teruglopende inkomsten door bijvoorbeeld vraaguitval of gedwongen sluiting van dagbesteding.

11. Financiële maatregelen culturele en creatieve sector
Bijgewerkt op 25 juni 2020, 10.30 uur
Het kabinet heeft voor de culturele en creatieve sector een aantal specifieke coulancemaatregelen getroffen om aan door de coronacrisis ontstane financiële problemen tegemoet te komen. Aanvullend daarop heeft het kabinet op 15 april 2020 € 300 miljoen additionele middelen toegevoegd aan het bestaande instrumentarium om de vitale onderdelen in de culturele infrastructuur te ondersteunen.
Opschorting huur rijksgesubsidieerde musea
Het Rijksvastgoedbedrijf schort voor rijksgesubsidieerde musea de huur van panden voor drie maanden op. Het kabinet roept gemeenten en provincies op dat voorbeeld te volgen en te onderzoeken hoe zij instellingen tegemoet kunnen komen in de betaling van huur.
Basisinfrastructuur (BIS) en Erfgoedwet
Voor alle instellingen die subsidie ontvangen via de basisinfrastructuur (BIS) of de Erfgoedwet gelden de volgende maatregelen:
• De deadline voor het indienen van de jaarverantwoording over 2019 verschuift van 1 april naar 1 juni 2020.
• Wanneer de jaarverantwoording om goede redenen – bijvoorbeeld wanneer de accountant meer tijd nodig heeft – later dan 1 juni wordt ingediend, heeft dat geen consequenties.
• Subsidies blijven doorlopen en bij de vaststelling van de subsidie voor de BIS 2017-2020 wordt de subsidie niet gekort als voorgenomen prestaties niet worden gehaald vanwege de coronacrisis. Gemeenten hebben laten weten deze maatregel te volgen.
• Met projectsubsidies en gesubsidieerde activiteiten wordt coulant omgegaan. Deze worden niet teruggevorderd als prestaties niet worden gehaald vanwege de coronacrisis. Er is speciale aandacht voor initiatieven van vrijwilligers die tijdelijk worden stilgelegd, waardoor subsidieaanvragen soms later worden ingediend.
• Vanaf 2019 zijn voor instellingen in de BIS de voorschriften over het bestemmingsfonds OCW afgeschaft. Zij hoeven daardoor geen bestemmingsfonds OCW meer aan te houden. De reserves die zij daarin hebben opgebouwd mogen worden ingezet voor de algemene reserve en zijn vanuit daar vrij inzetbaar voor de kernactiviteiten van de instelling. Dit geldt ook voor toekomstige positieve resultaten.
• Instellingen in de BIS krijgen al op korte termijn de beschikking over hun subsidie voor het derde kwartaal van 2020, zodat zij over meer liquide middelen beschikken en verplichtingen aan vooral freelancers en zzp’ers kunnen nakomen. Gemeenten inventariseren wat de behoefte is bij de door hen gesubsidieerde instellingen om de bevoorschotting te wijzigen.
• Alle instellingen die een aanvraag hebben ingediend voor de BIS 2021-2024 worden vrijgesteld om bij hun aanvraag de jaarcijfers 2019 na te zenden. De Raad voor Cultuur gaat bij de beoordeling van de aanvragen uit van de gegevens zoals die zijn ingediend voor de uitbraak van het coronavirus. Pas na het advies op 4 juni 2020 wordt gekeken naar de gevolgen hiervan. Zie ook hierna onder BIS 2021-2024 in dit onderdeel.
Rijkscultuurfondsen
De zes rijkscultuurfondsen – Fonds Podiumkunsten, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Mondriaan Fonds, Nederlands Filmfonds, Nederlands Letterenfonds, Fonds voor Cultuurparticipatie – nemen alle bovengenoemde coulancemaatregelen over voor de instellingen die zij ondersteunen. Dat geldt ook voor de beoordeling van de aanvragen voor meerjarige subsidies voor de periode 2021-2024.
De rijkscultuurfondsen hebben – binnen de bandbreedte van hun bestaande budgetten, inclusief eventuele eigen reserves dan wel onderuitputting van regelingen door de coronacrisis – de ruimte om sectorspecifieke maatregelen uit te werken en toe te passen. Deze maatregelen zullen zoveel mogelijk aansluiten op de bovenstaande coulancemaatregelen en/of passend zijn bij de sectorspecifieke noden.
De rijkscultuurfondsen hebben door herbestemming van budgetten en het aanspreken van reserves € 15 miljoen vrij kunnen maken. Deze extra ondersteuning vanuit de rijkscultuurfondsen richt zich vooral op projecten, werk en opdrachten voor makers. Daarnaast is er ruimte voor ondersteuning van instellingen die niet behoren tot de doelgroep van de aanvullende ondersteuning van € 300 miljoen. Hiermee dragen de rijkscultuurfondsen bij aan het ondersteunen van de totale keten en de borging van talentontwikkeling in de verschillende sectoren en disciplines.
Een voorbeeld van specifieke financiële ondersteuning tijdens de coronacrisis is de subsidie die het Fonds Podiumkunsten verstrekt op grond van de regeling Balkonscènes. De eenmalige subsidie bedraagt maximaal € 5000 en is bestemd voor podiumkunstenaars die kleinschalige live-uitvoeringen willen ontwikkelen waarbij rekening is gehouden met de beperkingen van de coronacrisis.
Een ander voorbeeld is de ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds. De beurs ter grootte van € 2500 is bedoeld om professionele schrijvers van oorspronkelijk Nederlandstalig literair werk, literaire vertalers van kwalitatief hoogwaardige vertalingen naar het Nederlands, Nederlandse illustratoren en graphic novelists in staat te stellen om een persoonlijk ontwikkelplan uit te voeren. Het persoonlijk ontwikkelplan moet er op gericht zijn op een andere manier een brug te slaan naar potentiële lezers in binnen- of buitenland. De ontwikkelbeurs is dus geen inkomensvoorziening, maar een subsidie gericht op output.
Private fondsen
De vier grote private cultuurfondsen – Prins Bernhard Cultuurfonds, VSBfonds, Fonds 21, VandenEndeFoundation – onderschrijven de strekking van bovengenoemde coulancemaatregelen en bezien hoe deze binnen de eigen praktijk mogelijk zijn. Daarnaast onderzoeken deze fondsen met welke (extra) maatregelen zij de sector kunnen ondersteunen.
Eigenaren rijksmonumenten
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft de volgende coulancemaatregelen getroffen:
• Op verzoek wordt het ritme van bevoorschotting van lopende restauratiesubsidies aangepast.
• De termijn van verantwoording van subsidies wordt op verzoek uitgesteld.
• Subsidieaanvragen voor de Subsidie instandhouding rijksmonumenten (Sim) die door de huidige omstandigheden incompleet zijn aangeleverd kunnen later worden aangevuld.
• Organisaties die extra tijd nodig hebben om aan de verplichtingen van de Sim te voldoen kunnen rekenen op coulance.
Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verleent op verzoek van zakelijke klanten zes maanden uitstel van aflossing. Deze coulancemaatregel geldt ook voor een particuliere klant die aantoonbaar nadelige gevolgen ondervindt van de coronacrisis.
Inzet € 300 miljoen aanvullende ondersteuning
Het kabinet heeft op 15 april 2020 € 300 miljoen extra beschikbaar gesteld voor aanvullende ondersteuning van de culturele en creatieve sector. Het geld is bedoeld om instellingen, makers en ondernemers in de culturele en creatieve sector door de financieel zware eerste maanden heen te helpen en in staat te stellen te investeren voor het volgende seizoen, met een aanvullende subsidie of een lening. Het kabinet rekent er op dat instellingen deze aanvullende ondersteuning inzetten om makers door te betalen en opdrachten te verlenen aan makers en instellingen.
Het kabinet zet de aanvullende ondersteuning als volgt in.

Aanvullende subsidie aan meerjarig door het Rijk gesubsidieerde producerende instellingen
Naar instellingen die onderdeel zijn van de BIS 2017-2020 en een beperkt aantal instellingen dat uit andere onderdelen van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wordt gefinancierd gaat € 113 miljoen.
Voor de instellingen en festivals die meerjarige subsidie ontvangen van de rijkscultuurfondsen in de periode 2017-2020 en filmproducenten is € 40 miljoen beschikbaar.
De aanvullende subsidie is bestemd voor de 70 producerende instellingen in de BIS 2017-2020 en circa 198 door de rijkscultuurfondsen meerjarig gefinancierde instellingen en festivals, die in 2018 minimaal 15% aan eigen inkomsten hadden. Het gaat om een groot aantal instellingen met een breed palet aan activiteiten voor een divers publiek in alle cultuurdisciplines. Zij ontvangen een aanvullende subsidie om de continuïteit te waarborgen en de gelegenheid te krijgen voor een doorstart.
Het is de bedoeling dat de instellingen met de subsidie zzp’ers, flexwerkers/artiesten, vrije producenten en jonge makers opdrachten geven en aan het werk houden, bijvoorbeeld om werk te ontwikkelen dat zich verhoudt tot de huidige omstandigheden en ermee experimenteert.

Ook NEMO, Slot Loevestein, SieboldHuis, het Onderwijsmuseum, het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor ontvangen aanvullende subsidie.

Bij het Filmfonds komt voor filmproducenten een specifieke voorziening van € 5 miljoen.

Er is een verband tussen de mate van de problematiek van instellingen en de afhankelijkheid van eigen inkomsten. Instellingen met hoge eigen inkomsten – die volledig weggevallen zijn door sluiting en ook bij heropening voorlopig nog niet terug zullen zijn op het oude niveau – hebben nu de grootste financiële problemen. De eigen inkomsten vormen daarom de basis bij de berekening van de aanvullende subsidie.

De aanvullende subsidie wordt als volgt verstrekt:
• De aanvullende subsidie geeft gedeeltelijke ondersteuning van de gederfde eigen inkomsten van de instelling als aanvulling op de reguliere subsidie.
• De aanvullende subsidie wordt berekend op basis van 45% van de eigen inkomsten per jaar, waarbij als grondslag het gemiddelde wordt genomen van de behaalde eigen inkomsten in de jaren 2017 en 2018.
• 25% van het vrij besteedbaar vermogen van de instelling (stand 2018) wordt in mindering gebracht op de aanvullende subsidie.
• De aanvullende subsidie heeft een maximum van drie maal het structurele subsidiebedrag dat de instelling heeft ontvangen in 2018.
• Instellingen die geen of nauwelijks publieksactiviteiten uitvoeren zijn uitgesloten.
• Instellingen zoals festivals waarvan de hoofdactiviteit vóór 12 maart 2020 heeft plaatsgevonden, vallen niet onder de regeling. Dit geldt ook voor biënnales die geen editie hebben in 2020.
Om de administratieve lasten voor de instellingen zo veel mogelijk te beperken, wordt de aanvullende subsidie ambtshalve verleend, dus zonder formele aanvraagprocedure. De subsidieverlening wordt gebaseerd op de voorhanden zijnde jaarrekeningen 2017 en 2018. De subsidie wordt medio 2021 vastgesteld via de reguliere verantwoordingsprocedure.

De subsidieregeling is inmiddels in de Staatscourant gepubliceerd, met daarin de voorwaarden in detail uitgewerkt. Op basis hiervan hebben het Mondriaan Fonds, het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, het Fonds voor Cultuurparticipatie en het Fonds Podiumkunsten hun specifieke regelingen opengesteld.

Opengestelde Monumenten Lening
Voor de “Opengestelde Monumenten Lening” bij het Nationaal Restauratiefonds (NRF) is € 50 miljoen beschikbaar voor Rijksmonumenten zoals kerken, kastelen en buitenplaatsen, industrieel erfgoed, molens, stadsherstelorganisaties en museale monumenten.

Rijksmonumenten die normaliter open zijn voor publiek verliezen door de coronacrisis hun inkomsten uit kaartverkoop, horeca, winkel, (ver)huur en geplande evenementen. De inkomstenderving en de onzekere vooruitzichten zetten de continuïteit onder druk.

De organisaties zijn ook van vitaal belang voor het behoud van de keten van werkgelegenheid en vakmanschap van restauratie en instandhouding.
Bij de publieksactiviteiten zijn veel vrijwilligers betrokken. Ook voor hen heeft de coronacrisis grote sociale gevolgen, omdat zij vanwege hun hogere leeftijd vaak tot de risicogroep behoren. Het feit dat zij nu verminderd inzetbaar zijn betekent – naast de teleurstelling voor henzelf en de organisatie – soms ook dat extra kosten gemaakt moeten worden.

Om in aanmerking te komen voor de “Opengestelde Monumenten Lening” moet sprake zijn van een publiekstoegankelijk rijksmonument en inkomstenderving. De NRF kan een dergelijke lening aanbieden met de volgende voorwaarden:
• Looptijd van 15 jaar tegen 1% rente.
• Maximaal drie jaar aflossingsvrij.
• Minimaal leenbedrag € 10.000 euro en maximaal € 2 miljoen per eigenaar.
• Mogelijkheid tot achterstelling.
Met de lening kunnen zowel kleine als grote organisaties worden geholpen. Het NRF ontwikkelt samen met experts in de monumentensector een rekentool waarmee snel inzicht kan worden verkregen in de financiële positie en de benodigde omvang van de lening.
Openstelling van de leenfaciliteit is in beginsel tot eind 2020. De leenfaciliteit moet nog getoetst worden op staatssteunaspecten.

Investeren in de vitale regionale infrastructuur voor regionale musea, (pop)podia en filmtheaters
Gemeenten en provincies zijn onder meer verantwoordelijk voor de lokale en regionale infrastructuur van muziekscholen, stadsschouwburgen, concertzalen, (pop)podia, vlakke vloertheaters, filmtheaters, beeldende kunstinstellingen, amateurkunst, cultuureducatie, festivals, bibliotheken, kunstencentra, monumenten en musea.

Het kabinet stelt daarom € 48,5 miljoen beschikbaar om gemeenten en provincies hierbij financieel te ondersteunen.

Voor die musea, (pop)podia en filmtheaters met een regionale functie waarbij ook sprake is van landelijk belang en waarbij gemeenten en/of provincies extra ondersteunen, zijn middelen beschikbaar bij het Mondriaan Fonds, Fonds Podiumkunsten en het Filmfonds. Voor de berekening van de aanvullende ondersteuning vanuit de fondsen is aangesloten bij de systematiek voor de aanvullende subsidie voor instellingen in de BIS 2017-2020 (zie hiervoor), tenzij anders vermeld.

Voor de subsidieregeling voor musea (de Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers) van het Mondriaan Fonds is maximaal € 16 miljoen beschikbaar. Er gelden een aantal specifieke voorwaarden over onder andere de museale activiteiten van het museum. De bijdrage van het Mondriaan Fonds is maximaal € 1 miljoen per museum.

Voor de subsidieregeling voor (pop)podia bij het Fonds Podiumkunsten is maximaal € 29 miljoen beschikbaar. De officiële regeling is inmiddels gepubliceerd. Er gelden een aantal specifieke voorwaarden. De bijdrage van het Fonds Podiumkunsten is maximaal € 1 miljoen per (pop)podium.

Voor de subsidieregeling voor filmtheaters bij het Nederlands Filmfonds is € 3,5 miljoen beschikbaar. Er gelden een aantal specifieke voorwaarden. De bijdrage van het Nationaal Filmfonds is maximaal € 400 000 per filmtheater.

De subsidieregeling is inmiddels in de Staatscourant gepubliceerd, met daarin de voorwaarden in detail uitgewerkt. Instellingen komen alleen in aanmerking voor subsidie als uit de aanvraag volgt dat gemeente(n) en/of provincie(s) extra ondersteunen.

Cultuur Opstart Lening
De cultuursector is vele malen groter dan alleen het gesubsidieerde deel. Ondernemingen in de culturele en creatieve sector die onvoldoende gebruik kunnen maken van de generieke maatregelen uit het noodpakket banen en economie en niet in aanmerking komen voor de drie hiervoor vermelde mogelijkheden van aanvullende ondersteuning kunnen gebruik maken van de “Cultuur Opstart Lening”. Het kabinet heeft hiervoor € 30 miljoen beschikbaar.

Ondernemingen worden met de lening in staat gesteld publieksgerichte producties, programma’s, tentoonstellingen of projecten te ontwikkelen. De inkomsten van deze activiteiten moeten voldoende zijn om naar verwachting de kosten van de lening dekken. Zo kan de lening bijdragen aan (de heropbouw van) een gezonde exploitatie.

Het gaat om een tijdelijke voorziening met bijzonder gunstige voorwaarden die zijn afgestemd op de actuele behoefte. De aanvragen worden getoetst op terugbetaalmogelijkheden en de financiële en zakelijke uitgangspositie van de aanvrager vóór de coronacrisis. De lening kan worden gecombineerd met andere generieke maatregelen, zoals bancaire leningen met een BMKB-krediet (zie hiervoor in dit deel van het Dossier Corona).

De lening wordt verstrekt door Cultuur+Ondernemen en kent de volgende voorwaarden:
• Het lening kan voorzien in zowel kleine als grote investeringen: tussen € 10.000 en € 500.000, tot maximaal € 1 miljoen per organisatie.
• Deze leningen kunnen ook gebruikt worden in combinatie met of als basis voor een bancaire lening.
• De rente is 1% op jaarbasis en kan boetevrij vervroegd afgelost worden.
Het kabinet verwacht tussen 150 en 400 leningen te kunnen verstrekken. De bedoeling is dat de faciliteit in juni 2020 van start gaat. Leningen met deze voorwaarden kunnen in ieder geval tot het einde van 2020 worden aangevraagd. Er moet nog op staatssteunaspecten worden getoetst.
Inzet voor makers: rijkscultuurfondsen en steunfonds rechtensector
Het kabinet investeert € 11,8 miljoen in de zes rijkscultuurfondsen ter intensivering van hun bestaande regelingen gericht op werk voor makers in alle sectoren. De subsidieregeling is inmiddels in de Staatscourant verschenen.

Zoals hiervoor vermeld hebben de fondsen binnen hun bestaande budgetten nog eens ruim € 15 miljoen middelen vrijgemaakt voor dit doel.

Daarnaast stelt het kabinet € 5 miljoen beschikbaar om het initiatief “Steunfonds Rechtensector” te matchen. Het steunfonds is een initiatief van de Federatie Auteursrechtbelangen.

Het doel van deze bijdrage is om professionals in de creatieve industrie te steunen bij het ontwikkelen van (nieuwe) werken op de onderdelen beeld, geschrift en muziek.

Het fonds wordt nader uitgewerkt door de Federatie Auteursrechtbelangen. Het zal worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de diverse bestaande sociaal-culturele fondsen van de collectieve beheersorganisaties (cbo’s), zoals BUMA/STEMRA, SENA, Norma, Vevam, Lira, en Pictoright. De cbo’s dragen ook zorg voor de private financiering.

BIS 2021-2024
De huidige omstandigheden en onzekerheid vragen veel van de instellingen in de BIS. De minister van OCW wil instellingen daarom ruim de tijd geven om een gedegen en duurzaam toekomstplan op te stellen. Enkele voorstellen van de Raad voor Cultuur over de BIS 2021-2024 heeft de minister overgenomen. Concreet betekent dat het volgende:
• De maximering van het aantal instellingen in de categorie podiumkunstenfestivals voor de BIS 2021-2024 wordt geschrapt. De inhoudelijke criteria en het budget blijven ongewijzigd.
• Op 4 juni 2020 publiceert de Raad voor Cultuur zijn advies over de BIS 2021-2024. De raad gaat in zijn advies uit van de omstandigheden van vóór het uitbreken van de coronacrisis. Op basis van dit advies maakt de minister van OCW op Prinsjesdag de subsidiebesluiten bekend.
• Gelet op de ontwikkelingen die zich tussentijds hebben voorgedaan, wordt aan alle instellingen verzocht om hun voorgenomen plannen en prestaties waar nodig aan te passen en daarover uiterlijk 1 juni 2021 te rapporteren. Op basis van de aangepaste plannen adviseert de Raad voor Cultuur uiterlijk 1 oktober 2021 of er wijzigingen in de monitoring (door het ministerie van OCW) moeten optreden.
• De uitgangspunten voor de nieuwe periode zoals verbreding en vernieuwing en fair practice blijven overeind.
• De nieuwe subsidieperiode start op 1 januari 2021. Over 2021 betracht de minister coulance wat betreft de activiteiten.
De minister verzoekt de cultuurfondsen eenzelfde lijn te hanteren en gaat voor de zomer bestuurlijk overleg voeren met de andere overheden over de nieuwe periode.
Hardheid
Door de uitbraak van het coronavirus kunnen ontvangers of aanvragers van subsidie vanuit het ministerie van OCW te maken krijgen met verschillende problemen en onvoorziene omstandigheden. Het reguliere wettelijke kader biedt verschillende mogelijkheden om in dergelijke gevallen coulance te betrachten. Daar waar de diverse subsidieregelingen om verschillende redenen coulance praktisch belemmeren, heeft het kabinet deze belemmeringen weggenomen, door wijziging van de desbetreffende subsidieregelingen.

Daarnaast heeft het kabinet een algemene hardheidsclausule ingevoerd die het mogelijk maakt om specifieke bepalingen in OCW-subsidieregelingen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Dat kan uitsluitend als de onverkorte toepassing van deze bepalingen, gelet op de gevolgen voor subsidieaanvragers of -ontvangers van de uitbraak van het coronavirus of de maatregelen ter bestrijding ervan, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Restitutie ticketgelden
Veel organisatoren van evenementen, poppodia, theaters en concertgebouwen, musea, monumenten, sportclubs en andere instellingen moeten evenementen verplaatsen of annuleren. De sector heeft daarom de Regeling Ticketgelden Coronacrisis opgesteld. De regeling biedt een handvat aan organisatoren hoe om te gaan met de restitutie van ticketgelden en het uitreiken van vouchers. Als organisatoren van de regeling gebruik maken, informeren zij zelf hun publiek over de voorwaarden.
De regeling is afgestemd met de ministeries van OCW en EZK en de Autoriteit Consument & Markt en te vinden op de website Bewaar je ticket – geniet later.
Bron: brief minister van OCW uitwerking motie-Jetten c.s. over steun voor het culturele en creatieve veld 27-3-2020, nr. 23894354; nieuwsbericht ministerie van OCW 27-3-2020; brief minister van OCW aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector 15-4-2020, nr. 24085813; persbericht rijkscultuurfondsen 12-5-2020; Tijdelijke regeling van het Fonds Podiumkunsten voor live-uitvoeringen tijdens de Covid-19crisis (Balkonscènes), Stcrt. 2020, 26831; brief minister van OCW uitwerking aanvullende ondersteuning € 300 miljoen culturele en creatieve sector 27-5-2020, nr. 24474565; Tijdelijke regeling Ontwikkelbeurzen voor literaire makers Nederlands Letterenfonds Covid-19, Stcrt. 2020, 29127; Regeling aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector COVID-19, Stcrt. 2020, 31493; Compensatieregeling Coronacrisis Musea meer dan 100.000 bezoekers, Stcrt. 2020, 32234; Compensatieregeling Coronacrisis Presentatie-instellingen, Stcrt. 2020, 32816; Verzamelregeling subsidies OCW COVID-19, Stcrt. 2020, 33064; Regeling aanvullende ondersteuning meerjarig gesubsidieerde instellingen Stimuleringsfonds Creatieve Industrie COVID-19, Stcrt. 2020, 33136; Regeling Compensatie Coronacrisis, Stcrt. 2020, 33246; Regeling van het Fonds Podiumkunsten voor meerjarige instellingen voor aanvullende ondersteuning in verband met gederfde inkomsten als gevolg van de uitbraak van COVID-19 en de maatregelen ter bestrijding ervan, Stcrt. 2020, 33038; Regeling van het Fonds Podiumkunsten voor podia voor aanvullende ondersteuning in verband met gederfde inkomsten als gevolg van COVID-19-maatregelen, Stcrt. 2020, 33305; Federatie Cultuur; Federatie Creatieve Industrie; Creatieve Coalitie; Kunsten ‘92
13. Financiële maatregelen mediasector
Bijgewerkt op 28 mei 2020, 12.00 uur
De gevolgen van de coronacrisis zijn voor de mediasector groot. Inkomsten lopen terug, terwijl de vraag naar informatie toeneemt. Lokale media zijn extra kwetsbaar, omdat zij sterk afhankelijk zijn van reclame-inkomsten vanuit het lokale MKB-bedrijf en vaak nauwelijks financiële reserves hebben.

Naast de algemene maatregelen uit het noodpakket banen en economie heeft het kabinet twee specifieke maatregelen voor de mediasector getroffen.

Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening
Organisaties in de mediasector ervaren sinds medio maart 2020 een grote terugval van advertentie-inkomsten. Deze terugval vindt plaats bij publieke en private partijen, van televisie tot dagblad en van landelijk tot regionaal en lokaal niveau. Tegelijkertijd zien mediaorganisaties – en zeker nieuwsmedia – hun bereik groeien. Kortom: inkomsten lopen terug, vraag en kosten nemen toe.

Huis-aan-huis-bladen/lokale publieke omroepen/lokaal nieuws
Vooral huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen worden hard getroffen, met direct gevaar voor de continuïteit.

Het kabinet levert een financiële bijdrage om de lokale informatievoorziening door huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen op peil te houden. Op 11 april 2020 is het Tijdelijke Steunfonds voor Lokale Informatievoorziening (hierna: het Steunfonds) van start gegaan met een eenmalige kabinetsbijdrage van maximaal € 11 miljoen. Deze bijdrage is inclusief uitvoeringskosten bij het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ). Het geld is vrijgemaakt door andere in 2020 gereserveerde middelen voor de mediasector te heralloceren. Op 28 mei 2020 heeft het kabinet aangekondigd het Steunfonds te verlengen tot eind 2020 en daarvoor € 24 miljoen ter beschikking te stellen.

Aanvankelijk stond het Steunfonds alleen open voor huis-aan-huisbladen die minimaal tweewekelijks verschijnen en lokale publieke omroepen. Maar vanaf 15 mei 2020 kunnen ook huis-aan-huisbladen met een lagere verschijningsfrequentie dan tweewekelijks, lokale nieuwsbladen met een abonnementsmodel en lokale nieuwswebsites een aanvraag indienen.

Eenmalige bijdrage uit Steunfonds
De hoogte van de bijdrage is voor de huis-aan-huiskranten en lokale nieuwsbladen afhankelijk van de oplage en voor de lokale publieke omroepen van het aantal huishoudens in het verzorgingsgebied. De eenmalige bijdrage kan hiermee van enkele duizenden euro’s oplopen tot enkele tienduizenden euro’s per aanvrager in totaal voor drie maanden. De minimale bijdrage bedraagt in ieder geval € 4000 per aanvrager in totaal voor drie maanden. Voor een lokale nieuwswebsite geldt een vast bedrag van € 4000.

De ontvanger kan de steunbijdrage naar eigen inzicht inzetten om de noodzakelijke kosten voor continuering van de informatievoorziening te dekken.

Aanvraag
De eerste groep van huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen kon vanaf 11 april 2020 tot en met 19 april 2020 uit het Steunfonds bij het SvdJ een eenmalige bijdrage aanvragen. Voor de tweede groep is de aanvraagtermijn van 15 mei 2020 tot en met 24 mei 2020. De eenmalige bijdrage geldt in alle gevallen voor een periode van drie maanden: 15 maart 2020 tot en met 15 juni 2020. Het SvdJ streeft naar een beslistermijn van een week na sluiting van de aanvraagtermijn.

Toekenning
De bijdrage wordt aanvankelijk als krediet in één bedrag toegekend. Achteraf zal door het SvdJ beoordeeld worden of het geld op de juiste manier besteed is. Voor zover dit zo is, zal het krediet omgezet worden in een subsidie en hoeft de ontvanger dit niet terug te betalen.

Coulancemaatregelen mediasector

Mediabegroting
Het kabinet treft daarnaast een pakket coulancemaatregelen voor mediaorganisaties die direct vanuit de mediabegroting worden gefinancierd:
• De deadline voor het indienen van de jaarverantwoording over 2019 verschuift van 1 mei 2020 naar 1 juni 2020.
• Met subsidies vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) voor projecten die in 2020 lopen, wordt coulant omgegaan. Als bij de verantwoording blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet volledig uitgevoerd konden worden door de coronacrisis, is dit reden voor overleg. Hierbij is het uitgangspunt dat al gemaakte kosten niet worden teruggevorderd.
• Als dat nodig is zorgt het ministerie in 2020 voor spoedige bevoorschotting van mediaorganisaties om de liquiditeit op peil te houden.
• Als de deadline van 15 september 2020 voor media-instellingen voor het indienen van de begroting voor 2021 te krap blijkt door de coronacrisis, kan uitstel worden verleend.
Fondsen
Het SvdJ en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (FBJP) subsidiëren in opdracht van OCW veel journalistieke projecten. Ook deze fondsen hebben coulancemaatregelen getroffen.

Het SvdJ biedt de volgende coulance:
• Binnen de lopende regeling Onderzoeksjournalistiek (kalenderjaar 2020) mag de projectduur worden verlengd en/of mogen uren anders worden ingezet als dit nodig is om beter te kunnen voorzien in nieuws- en informatievoorziening rond de coronacrisis.
• Binnen de regelingen Talentontwikkeling (1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020), Weerbaarheid (12 september 2019 tot 12 september 2020), Onderzoek op aanvraag en de Sponsorregeling mag de projectduur worden verlengd.
• Binnen de regeling Professionalisering Lokale Omroepen (1 maart 2020 t/m 28 februari 2021) mag de projectduur worden verlenging en/of de toegezegde subsidie volledig worden ingezet voor de nieuws- en informatievoorziening rond de coronacrisis.
• Het Accelerator programma (regeling Journalistieke innovatie) wordt digitaal aangeboden.
Het FBJP treft coulancemaatregelen om juist de individuele (freelance) journalisten te steunen. Met ingang van 7 april 2002 heeft het FBJP de volgende maatregelen getroffen:
• Er komt een spoedprocedure voor projectvoorstellen.
• De aanvraagprocedure voor projectaanvragen tot € 5000 wordt versimpeld.
• Deadlines worden afgeschaft – het indienen van aanvragen is doorlopend mogelijk.
• Subsidie zal in voorkomende gevallen (gedeeltelijk) worden uitbetaald als uitvoering of publicatie buiten de schuld van journalisten wordt uitgesteld.
• De beurzen voor Expertisebevordering worden explicieter ook beschikbaar gesteld voor online scholingsactiviteiten.
Zo snel mogelijk volgen nog twee maatregelen van het FBJP:
• Ondersteuning van journalisten en trainers die hun lesmateriaal omzetten naar online scholing.
• Geen royalty-afdracht voor journalisten over de boekverkopen van 2019 voor boeken die met steun van het FBJP zijn verschenen.
Maatregelen Nederlandse Publieke Omroep (NLPO) en Regionale Publieke Omroep (RPO)
De NLPO verlaagt in 2020 de jaarlijkse ledenbijdrage voor de lokale publieke omroepen.

Eenmalig wordt € 2 miljoen uit de Subsidieregeling innovatie en samenwerking regionale publieke media-instellingen op korte termijn ingezet om vanuit de regionale publieke omroepen de regionale en lokale journalistiek een impuls te geven.

12.Maatregelen provincies en gemeenten
Het kabinet roept decentrale overheden op ook een bijdrage voor de mediasector te leveren. Dat kan op allerlei manieren: van het treffen van coulancemaatregelen tot het regelmatig plaatsen van advertenties of het leveren van een extra incidentele bijdrage.
Bron: brief minister van OCW Steun tijdens de coronacrisis voor de mediasector 7-3-2020, nr. 23948634; Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening, Stcrt. 2020, 22261; nieuwsbericht Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ) 15-5-2020; Tijdelijk steunfonds lokale informatievoorziening, Stcrt. 2020, 27830; brief minister van BZK compensatiepakket coronacrisis medeoverheden 28-5-2020, nr. 2020-0000233674

13. Tegemoetkoming sociale advocatuur
Bijgewerkt op 19 juni 2020, 10.30 uur
De sociale advocatuur (zoals advocaten, mediators en bijzondere curatoren die ingeschreven staan bij de Raad voor Rechtsbijstand) zorgt ervoor dat mensen met een kleine portemonnee (min- en onvermogenden) toegang tot het recht hebben.
De coronacrisis leidt onder andere tot een vermindering van de instroom bij straf- en asielzaken en minder zittingen bij de rechtbanken. Hierdoor zien sociaal advocaten dit jaar hun vergoedingen vanuit de gesubsidieerde rechtsbijstand met meer dan 20% dalen.
Om te voorkomen dat sociaal advocaten in acute liquiditeitsproblemen komen is in maart 2020 al een extra voorschotregeling getroffen en gelden andere maatregelen zoals een zittingstoeslag voor schriftelijke zittingen en tussentijdse declaratie in extra-uren-zaken.
Tegemoetkomingsregeling
Daarnaast heeft het kabinet een aanvullende maatregel getroffen om sociaal advocaten tegemoet te komen, in de vorm van een tegemoetkomingsregeling voor de sociale advocatuur.
De Tegemoetkomingsregeling gesubsidieerde toevoegingenpraktijk van advocaten, mediators en bijzondere curatoren COVID-19-crisis voorziet in het inkomensverlies van sociaal advocaten die een daling in de vergoeding voor toevoegingen over 2020 hebben van meer dan 20%, ten opzichte van 2019.
Doelgroep
De tegemoetkoming staat open voor de advocaat, mediator en bijzondere curator die voor de continuïteit van zijn onderneming in belangrijke mate afhankelijk is van vergoedingen in de gesubsidieerde toevoegingspraktijk en in de gehele periode van 16 maart 2020 tot en met 31 december 2020 ingeschreven of geregistreerd staat bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Bij de aanvraag moet worden verklaard dat de afname van vergoedingen uit de gesubsidieerde toevoegingspraktijk niet kan worden gecompenseerd door een toename van de omzet uit een eventuele commerciële praktijk.
Ook moet worden verklaard dat de intentie bestaat de gesubsidieerde toevoegingspraktijk na 1 januari 2021 te continueren.
Ten slotte mag geen sprake zijn van faillissement of surseance van betaling. De tegemoetkoming geldt niet voor sociaal advocaten die werknemer zijn.
Hoogte
Als de vergoedingen van de afgegeven toevoegingen, toegekende extra uren en piketmeldingen in het jaar 2020 minder dan 80% bedragen ten opzichte van het jaar 2019, geldt een tegemoetkoming van 80% van de afname van de vergoedingen, met uitzondering van de eerste 20% van de afname van die vergoedingen.
Bij de berekening van de afname van de vergoedingen moet worden gemaximeerd op de percentuele gemiddelde vermindering over het rechtsgebied dat de grootste vermindering laat zien in het jaar 2020 ten opzichte van 2019. Hiervoor geldt de volgende onderverdeling: asielrecht, bestuursrecht, civielrecht, regulier straf, ambtshalve straf. Deze maximering is eenvoudig, duidelijk en uitvoeringstechnisch mogelijk en waarborgt dat maximaal een tegemoetkoming wordt toegekend tot het gemiddelde van de algemene vermindering van het zwaarst getroffen rechtsgebied.
Het is uitvoeringstechnisch te complex om per advocaat of mediator te bezien in welke rechtsgebieden hij werkzaamheden heeft verricht en welk bedrag hij daaruit heeft gegenereerd. Advocaten en mediators zijn immers vaak in meerdere rechtsgebieden actief.
De berekening van de vergoedingen geschiedt met het gemiddeld normtarief over 2019, waarna er nog rekening wordt gehouden met de indexering 2020 en de extra tijdelijke tariefverhoging sociaal advocatuur voor 2020. Op verzoek kan in bijzondere gevallen (bijvoorbeeld zwangerschap, arbeidsongeschiktheid, starter) een afwijkende referteperiode dan 2019 worden gehanteerd.
De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 40.000 en is inclusief omzetbelasting (btw).
Heeft een sociaal advocaat al voor dezelfde daling in vergoedingen andere financiële coronagerelateerde overheidssteun gekregen, dan wordt deze afgetrokken van de tegemoetkoming.
Aanvraag
De Raad voor Rechtsbijstand voert de tegemoetkomingsregeling uit. Een sociaal advocaat kan in de maand december 2020 een aanvraag voor de tegemoetkoming indienen, met een speciaal daarvoor geldend aanvraagformulier. Na december 2020 ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen.
Uitbetaling
De Raad voor Rechtsbijstand beslist vervolgens in januari 2021 en betaalt na een positieve beschikking binnen twee weken uit.
Met de bestaande voorschotregeling kan de sociale advocatuur de periode tot januari 2021 overbruggen. In januari 2021 kan de toe te kennen tegemoetkoming worden verrekend met het eerder aangevraagde voorschot.
Inwerkingtreding
De regeling is gepubliceerd in de Staatscourant en op 20 juni 2020 in werking getreden.
Bron: brief minister voor Rechtsbescherming Tegemoetkomingsregeling sociaal advocatuur naar aanleiding van de COVID-19-crisis 20-5-2020, nr. 2915069; nieuwsbericht Raad voor Rechtsbijstand 27-5-2020; Tegemoetkomingsregeling gesubsidieerde toevoegingenpraktijk van advocaten, mediators en bijzondere curatoren COVID-19-crisis, Stcrt. 2020, 32505



Geef een reactie

Deze website maakt gebruik van cookies en vraagt ​​uw persoonlijke gegevens om uw browse-ervaring te verbeteren.